Maandag 22 november 1976

Als Hans Loyen even voor 10 uur tussen twee parketwachters in op sandalen de rechtszaal binnen schuifelt, zien de aanwezigen niet de gevreesde kampbeul maar een man bij wie de ontreddering van het gezicht is af te lezen. Een zielig hoopje mens met een bleek, ingevallen gezicht en, zo tekent een rechtbankverslaggever fijntjes op, met een ‘klein Hitlersnorretje’. Voor het eerst staan de aanwezigen oog in oog met de man wiens daden de samenleving schokten. Hier staat niet de zeer krachtig gebouwde en atletische man met een vol, rond gezicht zoals zijn slachtoffers uit het kamp zich hem herinneren. Afgrijzen en medelijden vechten vandaag bij veel mensen om voorrang. Loyen is slordig gekleed in een lichtgroene broek en draagt een donkergroen witgebiesd truitje onder een groenbruin jasje. Gedurende het grootste deel van de eerste procesdag blijft hij met zijn rug naar de publieke tribune zitten. Hij is afgeschermd door een glazen wand omdat met alles rekening wordt gehouden, dus ook met een aanslag.


Loyen reageert niet op het voorlezen van de dagvaarding door de officier van justitie. Vragen van de rechters beantwoordt hij in de loop van de ochtend afwisselend hoofdschuddend, schouderophalend en ontkennend, gelardeerd met trage handbewegingen. Aan de enkele woorden die hij spreekt, is meestal geen touw vast te knopen. Tolk H. Nijenhuis heeft de ondankbare taak om het onverstaanbare gefluister van Loyen in woorden om te zetten. De rechtbankpresident laat Loyen een uit 1942 daterende foto van SS-bewakers in Bobruisk zien en vraagt hem: ‘U bent toch die tweede van links?’ Loyen zegt niets maar knikt bevestigend. Pas op het einde van de zitting draait hij zich langzaam om naar het publiek. Zijn ogen speuren de publieke tribune af naar familieleden en bekenden. Snikkend en huilend reageert hij op de misdrijven die de rechtbankpresident hem voorhoudt zoals het doodschieten, ophangen, doodschoppen, verdrinken en levend begraven van Joodse dwangarbeiders. ‘Ik dacht dat het zo hoorde, dat was de nieuwe tijd’, stamelt hij in een mengelmoesje van Duits en Limburgs. Vijf uur na het begin van het proces stort Loyen in, juist op het moment dat de rechtbankpresident aan het hoofdstuk Bobruisk wil beginnen. ‘Ik kan niet meer, ik weet niet meer waar ik ben’, fluistert hij op de vraag of hij nog kan volgen wat er om hem heen gebeurt. Dan barst hij in tranen uit. De zitting wordt voor de rest van de dag geschorst.